De Andes bestaan in feite uit twee bergketens, een westelijke en een oostelijke keten die beide parallel van noord naar zuid lopen. De westelijke bevindt zich voornamelijk in Peru en Chili. Bolivia herbergt een deel van de oostelijke keten. Sucre, de witte stad, ligt er onder andere in.
Tussen de beide ketens situeert zich de 'Altiplano', een hooggebergte plateau tussen de 3500 en 4000m.
Op weg van Sucre naar Potosí zagen we op bepaalde plaatsen van de Altiplano, grote percelen bewerkt voor landbouwdoeleinden, extensief weliswaar.
Er zijn culturen van bomen, er is een soort grasland, maar de meeste aandacht gaat toch naar maïs (foto) en aardappelen. Verschillende aardappelvariëteiten komen voor in verschillende stadia van de ontwikkeling, ze floreren er letterlijk - een aantal stonden in de bloeifase - goed.
Potosí zelf ligt op 4070 meter hoogte.
Ik voel wat lichte hoofdpijn en ben een tikkeltje duizelig wanner we er aankomen. De kleinste inspanning, mijn jas aantrekken bijvoorbeeld, doet de longen hoog en breed opengaan, de ademhaling wordt intenser en sneller. Ik voel mijn hart ook wat sneller kloppen. Dat is de normale reactie bij lage zuurstofconcentratie.
Ik hou me rustig, drink veel water en eet heel weinig, en het lukt, op mijn kamer kan ik snel de slaap vatten, ondanks de frisheid die er hangt. Vier dekens op het bed blijken net voldoende.
Deze hoogste stad ter wereld heeft weinig fraais te bieden. Ja, de plaza, het centrale plein, is mooi en enkele gebouwen zijn dat ook.
Maar de vele toeristen komen voornamelijk om dé berg te zien, de 'Cerro Rico', de 'Rijke Heuvel' die verderop wat hoger ligt. Sinds de komst van de Spanjaarden in de jaren vijftienhonderd worden hier mineralen gedolven. Eerst wat goud, maar niet zoveel, maar daarna enorme hoeveelheden zilver, en ook zink, en brons, koper, en vele andere mineralen, een zestigtal in totaal.
De toenmalige Spaanse kolonisators gingen met alle rijkdommen van deze enorme berg aan de haal en gebruikten de inheemse bevolking, en ook zwarte Afrikanen, als slaven. Duizenden mensen kwamen om van ontbering.
Momenteel, na nagenoeg 500 jaar exploitatie, zijn de grootste minerale rijkdommen uit de berg weggegraven. Niettemin werken nu nog steeds 10.000 Bolivianen elke dag in de berg, die nu te beschouwen is als een kaas met vele gaten.
Toeristen komen van verre hier naar toe om een bezoek te brengen aan de mijn. Ook ik wil zien wat hier aan de hand is.
Nagenoeg twee volle uren kruipen en lopen we door de mijnen, praten we af en toe met een mijnwerker en geven hem een fles coca en cocabladeren. Deze kauwen ze de hele dag, eten doen ze niet, de bladeren zijn hun rantsoen voor een hele dag hard labeur in zware ongezonde en gevaarlijke omstandigheden. De meeste houden het slechts vijftien jaar vol en velen kampen dan met stoflongen. Maar sommigen werken tot dertig jaar in de mijn om hun gezin te kunnen onderhouden.
Ik ben blij eindelijk na twee lange uren boven te zijn. Ik ben er niet goed van, dit is niet meer menselijk.
Alles is chaos rond de mijn, afval, stenen, oud materiaal, slijk,.... Nee, dit wil ik niet meer meemaken. Maar die 10.000 mijnwerkers, ... ik voel me ongemakkelijk.
En dan te weten, dat Bolivia nu nog altijd geen export heeft van de vele tonnen mineralen die er gedolven worden. Alle gedolven mineralen gaan naar bedrijven in Chili die wel over de nodige licenties voor export beschikken. De onmacht en de onrechtvaardigheid, blijven bestaan.
Dag Frans,
BeantwoordenVerwijderenVerhaal van de mijn doet me aan de film Altiplano denken.
Vandaag voor het eerst in 2011 als eenzame fietser (zonder mijn compagnon) gaan fietsen (de koninginnerit).
Kijken al uit naar je volgend verslag!
Hou je kloek.
Nog niet zo lang geleden werkten in Limburg ook duizenden mensen onder de grond, om geld te verdienen, maar betaalden met hun gezondheid. Nu zijn er andere jobs oa automobiel, elektronica, .... hopelijk mag ook Bolivië een gunstige evolutie doormaken in economie, tewerkstelling, industrialisatie en gezondheidszorg, maar hoe rijm je dat met milieu ?
BeantwoordenVerwijderen